Geschiedenis
In het jaar 1457 vonden zich in het plaatsje Kunvald in de bergen van Noord Bohemen enkele mensen om een nieuw kerkgenootschap te stichtten. Ze waren geinspireerd door de woorden en geschriften van Jan Hus, die 1415 in Konstanz als ketter verbrand was.
Net als hij waren zij teleurgesteld in de kerk van hun tijd. Zij waren op zoek naar een geloofwaardige manier om hun christelijk geloof te leven en wilden zich orienteren aan de "wet van Christus", de Bergrede. Ze noemden zich "Unitas Fratrum", de eenheid van de broeders, of Broeder-Uniteit.
De kleine groep had snel grote aantrekkingskracht. Binnen enkele jaren groeide ze tot een volkskerk in Bohemen en Moravie. In haar gemeenten ontwikkelde zich een rijk geestelijk leven, ondanks vervolging en onderdrukking door de overheid. Met de vrede van Westfalen (1648) die een einde aan de godsdienstoorlogen maakte, werd Bohemen katholiek en de Broeder-Uniteit kwam tot een einde. Haar laatste bisschop, de bekende pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670), ging in de Poolse en Nederlandse ballingschap.
Maar ondergronds werd de erfenis bewaard. Begin van de 18e eeuw zochten nakomelingen van de oude Broeder-Uniteit een verblijf waar ze hun geloof vrij konden leven en uiten. Ze vonden een onderkomen op het landgoed van de graaf N.L. von Zinzendorf in Saksen, waar ze 1722 het plaatsje Herrnhut ('onder 's Heren hoede') stichtten.
Na aanvankelijke spanningen groeide de groep van bewoners 1727 tot een hechte geestelijke gemeenschap en er vond een opwekking plaats. Van hier trokken 1732 de eerste zendelingen de wereld in. Ook in Europa vond de Evangelische Broedergemeente veel aanhangers en vrienden. Door haar zendingswerk kwamen zij ook naar Nederland omdat de zendelingen van hier de wereld in trokken. Eerst vestigden ze zich in 's Heerendijk (1736), dan in Haarlem (1744) en Zeist (1746).